Uitleg Figuurreeksen

Figuurreeksen bestaan uit 4 plaatjes die samen een reeks vormen. Door te kijken naar de veranderingen van de symbolen in de opeenvolgende plaatjes, kun je voorspellen wat het volgende plaatje zou moeten zijn. Je ziet eronder 4 verschillende plaatjes. Eén daarvan is het juiste plaatje om de reeks mee te vervolgen. Kijk goed naar de kleur, vorm en richting van de symbolen in de plaatjes.

Een voorbeeld:


Het balkje dat zwart is, verdwijnt steeds in het volgende plaatje. Er wordt ook steeds een nieuw balkje zwart. Het eerste antwoordplaatje is het juiste antwoord.

Oefenopgaven Figuurreeksen

Hieronder vind je de oefenopgaven. Kijk goed naar de reeks en bepaal wat het plaatje met het juiste antwoord zou moeten zijn. De antwoorden (met uitleg) vind je onderaan.

Opgave 1

A

B

C

D

 

Opgave 2

A

B

C

D

 

Opgave 3

A

B

C

D

 

Opgave 4

A

B

C

D

 

Opgave 5

A

B

C

D

 

Opgave 6

A

B

C

D

 

Opgave 7

A

B

C

D

 

Opgave 8

A

B

C

D

 

Opgave 9

A

B

C

D

 

Goede antwoorden

1 D

De grijze  pijl schuift met de klok mee steeds  een plaats op. De pijl geeft de richting aan van de balkjes in het volgende plaatje.

2 B

Er verdwijnt steeds een donkergrijs blok; als eerste het blok linksonder. Er komt een lichtgrijze balk voor in de plaats. De lichtgrijze balken wisselen steeds van staand naar liggend (ze beginnen in het eerste plaatje liggend). De middelste balk is steeds tegengesteld (in het eerste plaatje staand).

3 C

In het blokje rechts onderin verandert de achtergrond van de pijl van grijs naar wit. De witte achtergrond schuift op naar links. De pijl rechtsonder wordt nu wit met een zwarte achtergrond. Dit herhaalt zich, waarbij de zwart-wit gekleurde pijlen steeds verder met de klok mee naar links gaan.

4 A

Midden boven wordt de grijze hoek zwart, steeds 1 meer met de klok mee. De middelste zwarte hoek kent steeds twee standen; met de punt naar rechtsboven en rechtsonder, deze wisselen af.

5 B

Daar waar de pijl staat, ontstaat in het volgende plaatje een lege plek. Het symbool ernaast, tegen de klok in, wordt een pijl.

6 A

Twee hoeken worden eerst zwart, dan wit en daarna verdwijnen ze. Er wordt gestart met de hoeken  linksboven en rechtsonder.  Als ze verdwenen zijn, worden er opnieuw twee hoeken zwart. In  het volgende plaatje worden ze wit , daarna verdwijnen ze en worden er twee anderen zwart.

7 D

De balkjes en de pijlen worden om en om zwart en wit. De pijlen draaien steeds een stukje met de klok mee.

8 A

De achtergrond van hoek 1 is donkergrijs. Het donkergrijs worden schuift steeds een plek op. Als het een lichtgrijze hoek is, wordt hij donkergrijs, is het een witte hoek dan kleurt de achtergrond donkergrijs. Hoeken (of hun achtergrond) die donkergrijs zijn, worden in het volgende plaatje zwart. Daarna verandert het zwart in lichtgrijs. De kleurverandering schuift steeds een symbool verder met de klok mee.

9 C

Elk plaatje bevat een witte pijl. Daar waar de witte pijl staat, blijft in het volgende plaatje een lege plek achter. In elk plaatje wordt steeds een (willekeurige) pijl wit.