Uitleg Analogieën

Bij dit onderdeel gaat het om het ontdekken van relaties tussen woorden.

Er komen telkens twee woorden in beeld met daartussen een = teken. Links en rechts daarvan staan puntjes, met daaronder drie woorden. Het gaat er nu om twee woordparen te maken waarbij de relatie links van het = teken gelijk is aan de relatie tussen het woordpaar rechts van het = teken. In de test krijg je voor deze opgaven steeds 50 seconden de tijd.

Een voorbeeld:

 

 … :  koe

=

ei :  …

 

A

melk

 

                      kuiken

D

B

gras

 

zout

E

C

rund

 

kip

F

Op de plaats aan de linkerkant kunt u het woord melk invullen. De relatie met koe is dat melk afkomstig is van een koe. Als je nu aan de rechterkant kip invult, krijg je hier een gelijksoortige relatie, want een ei is afkomstig van een kip. Melk en kip zijn dus goed. Er staat dan

melk:koe = ei:kip

Als u gekozen had voor het woord rund zou je de relatie hebben dat een koe een soort rund is. Een zelfde relatie kun je aan de rechterkant niet vinden. Een kuiken is bijvoorbeeld geen soort ei. Hetzelfde geldt voor de andere woorden aan de rechterkant: zout en kip. Het eerste woord kiest u uit het linkerrijtje, het tweede woord uit het rechterrijtje. De vraag is alleen goed beantwoord als u beide woorden juist hebt gekozen.

Hieronder volgende oefenopgaven. Ga voor uzelf na wat het goede antwoord zou moeten zijn. Onderaan de pagina vindt u de antwoorden.

Analogie 1

 

 … : fruit

=

wortel : …

 

A

appel

 

                      groente

D

B

suiker

 

oranje

E

C

zoet

 

vitamines

F

Analogie 2

 

 … : hand

=

motor : …

 

A

arm

 

                      benzine

D

B

vinger

 

auto

E

C

gevoel

 

snelweg

F

Analogie 3

 

 … : groot

=

donker : …

 

A

boom

 

                      maan

D

B

klein

 

nacht

E

C

prachtig

 

licht

F

Analogie 4

 

 … : rond

=

vuur : …

 

A

cirkel

 

                      vlam

D

B

hoekig

 

heet

E

C

recht

 

gloed

F

Analogie 5

 

 … : staal

=

zoet : …

 

A

ijzer

 

                      suiker

D

B

brug

 

lief

E

C

zacht

 

citroen

F

Analogie 6

 

 …:  bril

=

slager :  …

 

A

opticiën

 

                     worst

D

B

glazen

 

bijl

E

C

sterkte

 

mes

F

Analogie 7

 

 … :  winnen

=

slapen : …

 

A

prijs

 

                     dromen

D

B

gokken

 

nacht

E

C

geld

 

uitrusten

F

Analogie 8

 

 … : zeker

=

soms : …

 

A

vast

 

                     mogelijk

D

B

onveranderlijk

 

nooit

E

C

misschien

 

altijd

F

Goede antwoorden

Analogie 1
appel – fruit = wortel – groente
Een appel is een soort fruit en wortels zijn een soort groente.

Analogie 2
vinger – hand = motor – auto
Een vinger is onderdeel van een hand en een motor is onderdeel van een auto. Let trouwens op: Een hand is weliswaar ook een onderdeel van een arm, maar hier klopt de richting van de relatie niet meer.

Analogie 3
klein – groot = donker – licht
Klein staat tegenover groot en donker staat tegenover licht.

Analogie 4
cirkel – rond = vuur – heet
Cirkels zijn altijd rond en vuur is altijd heet. Beide kenmerken zijn karakteristieken van de genoemde begrippen.

Analogie 5
zacht – staal = citroen – zoet
Staal is nooit zacht maar hard en citroenen zijn niet zoet, maar zuur. Beide kenmerken zijn dus tegengesteld aan de meest karakteristieke eigenschap van de begrippen.

Analogie 6
opticien – bril = slager – worst
Een opticien maakt brillen en een slager maakt worst.

Analogie 7
gokken – winnen = slapen – uitrusten
Men gokt om te winnen en men slaapt om uit te rusten. In beide gevallen vormt het tweede de doelstelling van het eerstgenoemde.

Analogie 8
misschien – zeker = soms – altijd
De gradatie (het verschil) tussen de woorden misschien en zeker vinden we terug tussen de woorden soms en altijd. Merk op dat de richting van de relatie weer dezelfde moet zijn aan beide kanten. Dit is niet het geval voor de combinatie misschien – zeker en soms – nooit. In dat geval zou links sprake zijn van een toename, terwijl het aan de rechterkant minder zou worden.